9. Absoluut

carbid

A. De Nederlanders wilden zo rond 1600 nog meer handel drijven. Ze gingen naar AziŽ om specerijen te halen. Om sterk te staan tegen andere landen werd de VOC opgericht, de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
B. Veel kooplieden lieten schilderijen maken van zichzelf, hun familie of taferelen die ze mooi vonden. Ze hadden genoeg geld om kunstschilders voor zich te laten werken. Nederland telde veel kunstschilders in de 17e eeuw. Een bekende schilder was Rembrandt van Rijn.
C. Toeristen maken vaak een rondvaart door de Amsterdamse grachten. Veel huizen langs de grachten zijn in de 17e eeuw gebouwd. Ze waren van rijke kooplieden. Amsterdam was het centrum van de wereldhandel.
D. Nederland was een Republiek, die werd bestuurd door rijke burgers. Zij werden regenten genoemd. De provincies (gewesten) hadden veel zelf te vertellen. Alleen over buitenlandse politiek en het leger namen ze samen een besluit in de Staten-Generaal in Den Haag.
E. De Nederlandse vloot was in de 17e eeuw erg sterk. Het land kende zeehelden als Michiel de Ruyter, Piet Hein en Maarten Tromp. Behalve kanonnen, sabels en messen gebruikten ze een wapen waar veel zeelieden bang voor waren, namelijk branders.
F. De VOC en WIC wilden veel winst maken. Ze moesten overal met hun schepen kunnen varen. Sommige landen lieten de Nederlandse schepen niet passeren. De Nederlandse geleerde Hugo de Groot schreef in een boek dat de zee vrij moest zijn, dat was goed voor de wereldhandel.
G. De handel in Nederland was sinds de middeleeuwen sterk gegroeid. Amsterdamse kooplieden gingen met fluitschepen naar de Oostzee om te handelen. De handel groeide sterk toen Antwerpen in 1585 door de Spanjaarden was veroverd.
H. Nederland was in de 17e eeuw een Republiek, maar veel andere landen kenden een koning. Die koning hadden absolute macht. Dat wil zeggen dat hij alle macht in handen had. De bevolking had niets te vertellen. Een voorbeeld was de Franse koning Lodewijk XIV.
I. Nederland wilde ook met Amerika handel drijven. De WIC werd opgericht, de West-Indische Compagnie. Deze compagnie haalde slaven uit Afrika, die in Suriname en op de Antillen terecht kwamen. Daar moesten ze op plantages werken waar rietsuiker en tabak werden verbouwd.
J. Amsterdam werd een stapelmarkt. Producten werden naar Amsterdam gebracht, in pakhuizen opgeslagen en als de prijs gunstig was weer verkocht. Later kwamen grondstoffen die in Amsterdam werden verwerkt. De handel maakte Amsterdam rijk.

Opdracht

Welke tekst hoort bij deze foto?
Schrijf het nummer van de foto op en zet daarachter de letter van de tekst.