In dit hoofdstuk komt de Franse Revolutie aan bod. Wat was die revolutie? Hoe is hij ontstaan? Wat waren de gevolgen? En wat hebben wij daar nog mee te maken? Allemaal vragen die je kunt beantwoorden, als je deze paragrafen hebt doorgenomen.

Begrippen

absoluut vorst

Een vorst (koning) die alle macht heeft en dus alle beslissingen zelf kan nemen.

dictator

Een persoon die helemaal alleen regeert, die alle macht heeft.

grondwet

De belangrijkste wet van een land, waarin de belangrijkste rechten en plichten van een volk staan en de regering staan. Bijvoorbeeld dat iedereen gelijk behandeld moet worden.

herendiensten

Karweitjes voor de landheer (graaf, hertog, markies).

Bijvoorbeeld het land bewerken, sloten graven, timmerwerk.

monarchie

Land met een vorst (koning) aan het hoofd.

patriotten

Groep Nederlanders die vond dat de burgers meer inspraak moesten hebben in het bestuur.

republiek

Land zonder koning aan het hoofd, maar bijvoorbeeld met een gekozen president.

standensamenleving

Samenleving waarbij de inwoners in groepen (standen) zijn verdeeld. De ene groep heeft meer rechten dan de andere.

terreur

Periode in de Franse Revolutie waarin de bevoking met geweld onder de duim werd gehouden.

voorrechten

Rechten die maar voor één persoon of één groep gelden.