In dit hoofdstuk komt de Franse Revolutie aan bod. Wat was die revolutie? Hoe is hij ontstaan? Wat waren de gevolgen? En wat hebben wij daar nog mee te maken? Allemaal vragen die je kunt beantwoorden, als je deze paragrafen hebt doorgenomen.

Napoleon vertelt:

“Weet je, als ik zo terugkijk op mijn leven dan zijn er een paar momenten geweest die echt heel bijzonder waren. Bijvoorbeeld toen ik gevochten heb bij de Franse stad Toulon, in 1793. Daar zaten nog aanhangers van de koning, die geholpen werden door de Engelsen. Frankrijk werd toen trouwens van alle kanten aangevallen. De koningen in Oostenrijk, Pruisen, Spanje en Engeland waren bang dat ze ook een kopje kleiner gemaakt zouden worden, net zoals met Lodewijk was gebeurd. Moet je nagaan, één land tegen vier reuzen! We hebben toen de dienstplicht ingevoerd, zodat wij grote legers konden maken. Gevochten als leeuwen, hebben we. En met succes! Ik was toen nog maar 24 jaar oud, maar werd wel eventjes benoemd tot generaal. Niet gek voor zo’n jong knaapje, al zeg ik het zelf.

 

Wat ik niet moet vergeten te noemen is de verovering van Nederland. Nee, voor mij zelf was dat niet zo belangrijk, maar wel voor jullie. Ik ben er zelf ook niet bij geweest, dat was generaal Pichegru. Wij in Frankrijk vonden dat onze manier van leven, met vrijheid, gelijkheid en broederschap, ook voor andere landen het beste was. In 1795 hebben we jullie stadhouder Willem V verjaagd naar Engeland. Toen werden de patriotten de baas, Nederlanders die het met ons eens waren.

 

We hadden best veel succes in het buitenland, moet ik zeggen. Maar in Frankrijk zelf was het nog steeds een puinhoop. In 1799 heb ik toen met hulp van het leger de regering naar huis gestuurd en ben ik zelf de baas van Frankrijk geworden. Ik geef toe, dat was niet helemaal zoals het zou moeten, want het volk had niets meer te zeggen. Maar al die inspraak en dat meebeslissen, dat had alleen maar ellende opgeleverd. Eén persoon die alles kon beslissen, een dictator dus, dat was het beste voor Frankrijk.

 
 

Maar nou moet je niet denken dat ik niks anders heb gedaan dan oorlog voeren. Ik heb bijvoorbeeld voor nieuwe rechtspraak gezorgd, ik heb ervoor gezorgd dat de edelen en geestelijken hun voorrechten kwijt raakten, ik heb voor een burgerlijke stand gezorgd. Dat laatste was handig om voldoende soldaten te krijgen. Iedereen moest een achternaam hebben en ingeschreven staan bij de gemeente waar hij woonde. Dan konden we tenminste voldoende jonge mannen oproepen voor het leger: we wisten immers wie ze waren en waar ze woonden.

 

Eén van de mooiste momenten in mijn leven was in 1804, toen ik tot keizer werd gekroond. Ik heb toen mijn eigen vrouw, Joséphine, tot keizerin gekroond. Stel je voor, een eenvoudige jongen uit Corsica die keizer van Frankrijk wordt! En een jaar later ook nog eens koning van Italië. Eigenlijk ging het toen best goed met Frankrijk en met mij.

 

Wat zeg je? De veldtocht naar Rusland? Hou daarover op, zeg. Als ik daar aan terug denk word ik nog weer kwaad. Het begon met het brutale gedrag van de Russische tsaar Alexander, die niet met mij wilde samenwerken. Die moest nodig een lesje worden geleerd, vond ik. Ik trok dan ook met een enorm groot leger naar Moskou. Eerst ging alles goed, de Russen moesten steeds verder terugtrekken. We hebben zelfs Moskou bereikt. Maar wat toen gebeurde is bijna niet te geloven: de Russen staken hun eigen stad in brand, waardoor wij naar Frankrijk moesten terugkeren. In de winter, die dat jaar extra koud was. Veel van mijn soldaten hebben het niet overleefd en ik kon zelf maar ternauwernood ontsnappen.

 

Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. We verloren vaker dan we wonnen en in 1814 moest ik zelfs opstappen als keizer. Ik werd toen naar het eiland Elba gestuurd. Ik was niet echt een gevangene, maar ik mocht me nergens meer mee bemoeien. Ja, dat hadden ze gedacht! Binnen een jaar was ik terug. En weet je: het Franse volk en de Franse soldaten hielden nog steeds van mij. Ik werd opnieuw keizer! Jammer genoeg maar 100 dagen.

 

In juni 1815 vochten we in Waterloo, een plaatsje bij Brussel in België. Hoe het kan weet ik nog niet, maar op het moment dat we dachten dat we hadden gewonnen kwamen er extra Engelse en Pruisische soldaten op het slagveld. De toestand was onhoudbaar en ik moest vluchten. Tja, toen was het echt voorbij. Ik ben opnieuw Frankrijk uitgestuurd, naar het eiland Sint Helena. Weet je waar dat ligt? Midden in de Atlantische oceaan, tussen Afrika en Zuid-Amerika. Daar heb ik nog zes jaar geleefd. Gelukkig ben ik wel begraven in Frankrijk, in de hoofdstad Parijs. Kom me maar eens opzoeken, als je in de buurt bent.”