In dit hoofdstuk komt de Franse Revolutie aan bod. Wat was die revolutie? Hoe is hij ontstaan? Wat waren de gevolgen? En wat hebben wij daar nog mee te maken? Allemaal vragen die je kunt beantwoorden, als je deze paragrafen hebt doorgenomen.

Revolutie in Frankrijk

"Dat heb ik handig aangepakt", dacht koning Lodewijk XVI. "Ik laat van alle drie standen vertegenwoordigers komen om te praten over belastingverhoging. En dan krijg ik wel mijn zin, want de eerste en tweede stand zullen mij vast en zeker steunen."

 

Het was inderdaad een slim plan. Elke stand leverde een flink aantalvertegenwoordigers: 300 namens de geestelijken, 300 namens de adel en 600 namens de gewone burgers. De eerste en tweede stand hadden geen probleem met het verhogen van de belastingen, zij hoefden toch niks te betalen. Van alle vertegenwoordigers stond dus altijd minstens de helft achter de koning. De vertegenwoordigers van de derde stand baalden flink. Honger, niks te vertellen over het bestuur en veel belasting betalen? Dat kon zo niet langer! Ze gingen daarom zelf vergaderen, zonder de andere standen.

 

"We moeten meer te vertellen hebben", riep een vertegenwoordiger. "De koning is er voor het volk en niet andersom. Hij moet doen wat wij zeggen", meende een ander. "Weg met de standen, niet meer gratis werken voor de edelen. En ook mooie baantjes voor ons", schreeuwde een derde. Het was duidelijk: de burgers pikten het niet langer. Ze wilden een grondwet, waarin de rechten en plichten van alle Fransen stonden. Dus ook de rechten en plichten van de koning.

 

Ondertussen hadden de arme inwoners van Parijs niet stilgezeten. De Bastille, de Franse staatsgevangenis, was bestormd. Dat gebeurde op 14 juli 1789. Die gebeurtenis wordt trouwens nog elk jaar herdacht in Frankrijk.

 

Op het platteland braken ook rellen uit. Kloosters en kastelen werden geplunderd, edelen vermoord.

 

En wat deed de koning? Niets. Hij begreep dat hij niets meer te vertellen had en wachtte op het goede moment om naar het buitenland te vluchten. In 1791 was het zover, maar vlak voor de grens werd hij herkend en naar Parijs teruggebracht.

 

Hij wilde zeker hulp zoeken bij andere koningen", meenden de Parijzenaars. "Niet te vertrouwen, die man. We kunnen het land ook wel besturen zonder hem." En dus werd de koning afgezet. Frankrijk was geen monarchie meer, maar een republiek. Met koning Lodewijk XVI liep het slecht af. In 1793 werden hij en zijn vrouw Marie Antoinette met behulp van de guillotine onthoofd.

 

Veel rust bracht de dood van de koning niet. Overal in het land waren rellen, plunderingen en moorden. Totdat een groep burgers onder leiding van Robespierre de macht greep. Wie niet wilde doen wat Robespierre zei werd onthoofd. Het was de tijd van de terreur. Bijna 13.000 boeren, arbeiders, edelen en geestelijken kwamen onder de guillotine terecht. Nee, het leven in Frankrijk was niet echt fijn.