De pest komt
in Kampen

In de zomer van 1350

       vaart een schip de haven van Kampen binnen. Op de kade zit Marike. “Een kogge, uit Duitsland”, mompelt ze. Ze herkent de wapenschildjes op de boeg en de kleuren van de wimpel in de mast. Langzaam glijdt het schip op de kade af. De zon is bijna onder en het is stil aan de IJsseloever. Het enige wat je kunt horen, is het zachte geklots van het water. Marike ziet de vreemdelingen aan land gaan. Ze dragen zakken, kisten en vaten. Enkelen wankelen en leunen zwaar op elkaar. Alsof ze teveel wijn gedronken hebben. Ze lopen met onvaste stappen de loopplank af, met hangende schouders, hun gezichten verborgen onder hun kappen. Dan is er plotseling grote opschudding op de kade. Handelaren beginnen te schreeuwen, sjouwers ballen hun vuisten. “Haal de schout”, roept iemand, “roep de schout en zijn mannen, in godsnaam!” Even later is het rumoer alweer voorbij. De bemanning van het schip is verdwenen onder de stadspoort door, opgeslokt door de donkere stegen van de stad. Een paar monniken zijn achter hen aan gehold. Marike haalt haar schouders op. Ach, er gebeuren wel vaker rare dingen in de stad.

Vier jaar geleden was Marike naar Kampen gekomen. Tien jaar was ze toen. Ze was meegekomen met haar oom die op de markt de opbrengsten van zijn boerderij wilde verkopen. Marike was nog nooit in een stad geweest. Het eerste wat haar opviel was de lucht. Uit de afvalhopen op straat steeg de doordringende stank op van visresten, rottend leer en ander vuil. Boven de hopen zwermden blauwzwarte vliegen. Als je in het afval porde, kwamen er vette ratten uit die er langs de huisgevels als pijlen vandoor gingen. Ze was misselijk geworden en had bijna moeten overgeven.

De ouders van Marike

           waren overleden toen ze pas vier was. Sindsdien had haar oom voor haar gezorgd. Toen ze tien was, vond hij haar oud genoeg om in de stad een ambacht te leren. Daarom had hij haar in de leer gedaan bij een weversvrouw. Ze werd leerling in de werkplaats. Voordat de zon opkwam, was ze al in de weer. Ze werd weggestuurd om boodschappen weg te brengen voor de vrouw of voor de meester zelf. Altijd was het: Schiet een beetje op, boerenmeid, anders vallen er klappen!' Later leerde ze Willem kennen. Die was leerling bij de kleermaker. Hij en Marike konden goed met elkaar opschieten. Bijna elke dag waren ze samen. Het liefst gingen ze naar de IJsseloever. Daar keken ze naar de schepen, de meeste uit Kampen, maar ook veel uit Duitse steden, zoals Lubeck. De kaden stonden vol met allerlei waren. Tonnen haring, zakken graan, vaten wijn, bier en traan, stapels hout en steen, bundels koeienhuiden en tot leer gelooide huiden. Marike werd nooit moe van al het leven aan de IJsseloever. Nog spannender was het 's avonds bij de herbergen. Daar waren vaak vechtpartijen als handelaren, schippers en soms zelfs geestelijken een slok op hadden en dobbelden om geld.

Een paar dagen later

           is Marike weer op de kade. Ze maakt zich zorgen: Willem is nu al een tijd niet meer geweest. Dat is niets voor hem. Wat zou er zijn? Ze loopt de stad in, een paar straten door in de richting van de stadsgracht. Willem woont in een klein huis bij de smederijen.
Als Marike bij Willems huis aankomt, ziet ze zijn kleine zusje in de deuropening staan.
“Waar is Willem? vraagt Marike.
Het meisje kijkt ernstig. “Ziek”, zegt ze. “Hij wil niet met me spelen.”
Voorzichtig opent Marike de deur van het huis. In een hoek van de kamer ligt Willem. Zijn moeder zit naast hem. Ze trekt de deken recht en streelt hem over zijn bezwete voorhoofd. Dan ziet ze Marike staan. Ze huilt zachtjes. Haar gezicht is asgrauw. “Wat kan er nu met mijn jongen aan de hand zijn?” huilt ze. “Hij viel over de drempel heen toen hij vanavond thuiskwam. Nu ligt hij daar en klaagt over pijn in zijn hele lichaam!” Marike kijkt naar het koortsige gezicht van Willem. Hij ligt als in een roes, verdoofd. Af en toe draait hij zich onrustig heen en weer en ijlt. “Wil je me een plezier doen”, fluistert de moeder van Willem. “Wil je Neeltje Griet halen? Ze kan zo goed aderlatingen doen...”

Meteen gaat Marike op weg door de smalle stegen met leerlooiers en smederijen tot ze bij de brede hoofdstraat uitkomt. Daar, in het straatje achter de huizen van de rijken woont Neeltje. Maar nog voor Marike kan aankloppen, hoort ze van de buren dat Neeltje net naar een andere zieke is geroepen. “Heilige Maria en alle heiligen, help Willem”, fluistert Marike zachtjes in zichzelf. Ze knijpt haar handen zo hard samen, dat de knokkels wit worden.

Als ze langs

           de stadsgracht terugloopt, hoort ze stemmen. Mensen komen van alle kanten aanlopen, over elkaar struikelend tussen de huizen vandaan. Midden in de menigte komt ze een leerling van de schildmaker tegen. “Wat is er gebeurd? Is er brand in de stad?”
De jongen is buiten adem. “Nee, iets veel ergers.”
“Hoe bedoel je? Zeg dan toch wat er gebeurd is!”
De ogen van de jongen zijn groot en verschrikt.
“De Duitse handelaren voerden de dood in hun lading mee!”
“Praat zodat ik je begrijp!”
“De pest is in de stad!”
Marike verstijft. IJskoud zweet loopt over haar rug.
“Weet je nog dat schip dat een paar dagen geleden is aangekomen? Een paar bemanningsleden waren al dood voor ze hadden aangelegd. De handelaren op de kade probeerden de bemanning nog tegen te houden toen ze aan land wilden gaan. Maar het had geen nut. Algauw hadden ze een deel van de lading naar de pakhuizen in de stad gebracht.” De jongen pauzeert even om op adem te komen. Dan gaat hij door:
“De mensen zeggen dat ze klaagden over hevige pijnen, toen ze in het ziekengebouw van het klooster kwamen. Overal op hun lijf verschenen bulten. Nu zijn ze dood! De een na de ander, dood! De monniken hebben ook ernstige klachten gekregen!”
De angst slaat Marike om het hart. Willem! denkt ze. De Duitse handelaren hadden lappen stof en wol bij zich gehad. Die waren natuurlijk gewoon bij de kleermakers afgeleverd. Ze begint ervan te beven. Was Willem, had hij ook...

Zo snel ze kan

           loopt Marike verder naar Willems huis. De straten en stegen lopen nu langzaam leeg. Het duizelt haar en haar hart bonkt in haar keel als ze de deur van het huis opengooit. “Here Jezus”, hoort ze een stem binnen zeggen. “Kom niet hier. De pest heeft ons huis gepakt!” Het is de moeder van Willem. Ook haar gezicht is nu rood van de koorts. Ze huivert. Verderop ligt Willem. Zijn hele lichaam trilt en schudt en alleen zijn blonde haar is zichtbaar boven de deken. “Ga weg”, herhaalt de moeder. “Onze tijd is gekomen. Het heeft geen zin om nu met Willem te praten. Moge de heilige Sebastiaan je beschermen, Marike.” Ze sluit de deur achter zich. Het is alsof er een ijsklomp om haar hart groeit. Ze slikt een paar keer angstig een paar tranen in die van haar ogen naar haar mond zijn gestroomd. Waar ze altijd al zo bang voor is geweest, is nu echt gebeurd: De pest is in Kampen!